In dit artikel wordt meer achtergrond informatie besproken voor de Simulatie/DYWAG module in Gebouwprestatie.
Definieer Rekenopdrachten
Rekenperiode
Inslingerdagen
In Simulatie is het mogelijk een berekening te starten met inslingerdagen. Deze inslingerperiode is bedoeld om de simulatie te stabiliseren voordat de eerste rekenperiode uitgevoerd wordt. Aan het eind van de inslingerperiode zouden de wand- en ruimtetemperaturen een stabiele waarde bereikt moeten hebben
De inslingerperiode wordt niet meegenomen met de berekening, maar wordt voor de eigenlijke start van de berekening geplaatst. Bij het opgeven van de rekenperiode hoeft dus geen rekening te worden gehouden met de inslingerdagen. Wanneer bijvoorbeeld de inslingerperiode vóór het begin van het jaar komt te liggen (wanneer de rekenperiode in week 1 op dag 1 start), dan worden de klimaatgegevens van het eind van het klimaatjaar hiervoor gebruikt.
Klimaatbestand
Voor de simulatieberekening is een klimaatbestand vereist. Er zijn meerdere klimaatbestanden beschikbaar in de bibliotheek.
De referentieklimaatbestanden voor de berekening wordt gegeven voor condities met verschillende onder-/overschrijdingskansen ( 5%, 2% en 1%). Een opdrachtgever moet in het Programma van Eisen hierover een keuze maken. Hierbij wordt aangeraden rekening te houden met hitte- en koudegolven. Onderstaande tabel geeft informatie over het aantal hitte- of koudegolven in de onderscheiden referentiejaren.
Onder-/overschrijdingskans
| 5 % | 2 % | 1 % |
Maand | Jaar |
Januari | 2003 | 1997b) | 1987b) |
Februari | 1994 | 1991b) | 1986b) |
Maart | 1989 | 1990 | 1991 |
April | 1991 | 1987 | 2003 |
Mei | 1988 | 1989 | 1992 |
Juni | 1989 | 1995 | 2005 |
Juli | 2003 | 2001 | 1995a) |
Augustus | 1995 | 2003a) | 2004a) |
September | 2004 | 1999 | 1991 |
Oktober | 2001 | 1990 | 1995 |
November | 2005 | 1999 | 1996 |
December | 1989 | 2002 | 1996 |
a) bevat hittegolf b) bevat koudegolf |
Ook is het mogelijk om een eigen Energy+ bestand (EPW bestand) te importeren. Het is niet mogelijk om KNMI bestanden in te laden.
Rekenopties
Berekeningsnauwkeurigheid
De nauwkeurigheid van de berekening kan aangepast worden voor de simulatie. In de tabel hieronder is weergegeven waar deze keuze invloed op heeft.
Tabel 1
Optie | Tijdstap | Relax-factor* | Convergentie [°C]** |
Laag | 1 uur | 0.65 | 0.1 |
Matig | 15 minuten | 0.75 | 0.05 |
Hoog | 5 minuten | 0.95 | 0.01 |
Hoogst | 1 minuut | 1.00 | 0.005 |
*Relax-factor straling. De relax-factor straling is een combinatiefactor tussen de nieuwe en vorige waarden van de straling tijdens het itereren. Een waarde van 1.0 (Hoogst) betekent dat de waarde van de straling altijd de nieuwe berekende waarde is. Een waarde van 0.75 (Matig) betekent dat de waarde van de straling 75 [%] van de nieuwe berekende waarde en 25 [%] van de vorige is.
**Convergentie. Convergentie geeft het maximale temperatuurverschil tussen twee opeenvolgende iteraties. Wanneer het verschil kleiner of gelijk aan deze waarde is, stopt de iteratie. Ongeacht van de gekozen optie zijn maximaal 10 iteraties toegestaan. Na een paar berekende perioden is het aantal benodigde iteraties zeer klein.
Voor gebouwen met extra ventilatie en/of luchtstromen tussen ruimten wordt aangeraden tenminste een matige nauwkeurigheid te gebruiken.
Stralingsmodel invoeren
Het veld Stralingsmodel invoeren heeft drie opties, te weten:
•Geen stralingsmodel
•Constante emissiecoëfficiënt
•Afgiftecoëfficiënt van materialen
Bij het bepalen van de interne temperatuur van een ruimte kan de warmtestraling van de interne oppervlaktes worden meegenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een stralingsmodel. Er kan gekozen worden voor een vaste emissiecoëfficiënt die voor alle interne oppervlaktes in een ruimte geldt, of het gebruik van de afgiftecoëfficiënten van de materialen in de wanden.
Constructies
Projectbibliotheek | Constructies
Voor het maken van een berekening m.b.v. Simulatie is het van belang dat de opbouw van een constructie bekend is. Ook is het van belang dat, behalve de warmtegeleidingcoëfficiënt, ook de soortelijke massa (ρ) en soortelijke warmte (c) van een materiaal bekend zijn.
Er zijn twee methodes om een glasconstructie in te voeren voor Simulatie of Oververhitting:
- U-waarde en g;gl-waarde
Met deze optie is het mogelijk om een glasconstructie in te voeren zonder gedetailleerde invoer. Zet de rekenmethode van deze constructie op Vereenvoudigd glasinvoer (U-waarde en g;gl). Het resultaat hiervan is een 'enkelglas constructie' met equivalente eigenschappen op basis van de invoer. Waardes zoals dikte en AOI-factoren worden automatisch bepaald.
2. Op basis van materiaallagen
In deze methode wordt de constructie bepaald door alle materiaallagen van het glas op te geven in Gebouwprestatie. Zet de
rekenmethode van deze constructie op
Op basis van materiaallagen. Voor meer informatie hoe een constructie op basis van materiaallagen in te voeren, zie onze handleiding
Handleiding U-waardeberekening.
Spuien
Bouwkundig | Extra ventilatie
Temperatuur gevoeligheidsfactor: met deze waarde kan de hoeveelheid extra ventilatie afhankelijk worden gemaakt van het temperatuurverschil tussen binnen en buiten (waarde tussen 0 en 5).
Sluit ramen bij buitentemperatuur groter dan: geef de buitentemperatuur op waarbij, wanneer naar boven toe overschreden, de ramen worden gesloten.
Sluit ramen bij buitentemperatuur kleiner dan: geef de buitentemperatuur op waarbij, wanneer naar beneden toe overschreden, de ramen worden gesloten.
Sluit ramen bij binnentemperatuur kleiner dan: geef de binnentemperatuur op waarbij, wanneer naar beneden toe overschreden, de ramen worden gesloten.
Sluit ramen bij windsnelheid: geef de windsnelheid op waarbij de ramen gesloten worden. 'Sluit ramen' wint altijd, ongeacht welke optie gekozen is.
Open ramen bij binnentemperatuur: geef de binnentemperatuur op waarbij de ramen worden geopend.
Ramen open bij afwezigheid: geef aan of de ramen geopend mogen zijn wanneer er geen personen aanwezig zijn in de ruimte. Deze optie kan ook ramen sluiten (niet open bij afwezigheid en geen aanwezigheid).
Wind gevoeligheidsfactor: met deze waarde kan de hoeveelheid extra ventilatie afhankelijk worden gemaakt van het verschil in windsnelheid tussen binnen en buiten (waarde tussen 0 en 5). De volgende formule wordt hier gehanteerd:
Debiet = ev * (ftemp * |Ti-Te|/5 + fwind * vw/5)
ev = extra ventilatie in [dm3/s]
vw = windsnelheid buiten in [m/s]
Ti = temperatuur binnenlucht in [°C] (gebaseerd op ruimtetemperatuur van het vorige uur)
Te = temperatuur buitenlucht in [°C]
Zodra ftemp (temperatuur gevoeligheidsfactor) of fwind (wind gevoeligheidsfactor) wordt opgegeven, wordt bovenstaande formule gebruikt om het debiet te bepalen. Het ingevulde debiet wordt dan als ev gebruikt.
Tabel 2 - Voorbeeld 15 april - 12 uur:
Aanduiding | Waarde | Eenheid
|
ev | 4000,0 | [dm3/s]
|
vw | 4,0 | [m/s] |
Ti | 29,47 | [°C] (= Taf = Ti; 15 april - 11 uur) |
Te | 18,00 | [°C] |
ftemp | 3,0 |
|
fwind | 3,0 |
|
Bij ftemp = 0 en fwind = 0 wordt het ingevulde debiet als qextra gebruikt.
Vlakken
Overig
Zondistributie (direct) percentage
De zondistributie in de thermische simulatie wordt door middel van een percentage ingevoerd. Dit percentage is voor vloeren en vloeren/plafonds (vloerzijde) standaard 100 [%] en voor alle andere situaties standaard 0 [%]. Wanneer de zondistributie niet gespecificeerd wordt, wordt deze voor vloeren en vloeren/plafonds (vloerzijde) automatisch op 100 [%] gezet. De zondistributie wordt per periode berekend en is dus afhankelijk van de positie van de zon en aanwezigheid van zonwering.
Hieronder worden deze punten verder toegelicht, inclusief een voorbeeld.
1. Bij het ventilatiesysteem kan bepaald worden hoe het luchtdebiet van het systeem verdeeld wordt. Deze verdeling kan op basis van Invoer per ruimte, oppervlakte of volume van de gekoppelde ruimtes. Zodra de invoer op Invoer per ruimte staat, kan deze bij de ruimtes zelf opgegeven worden. Zie hiervoor punt 4.
2. Het minimum en maximum systeemdebiet wordt opgegeven bij de systeemgrenzen van het ventilatiesysteem.
•Max. debiet systeem (qmax): 1000 [dm3/s]
•Debiet inblaaslucht (qsub): 800 [dm3/s] tussen 6:00 - 18:00, daarbuiten 15 [dm3/s]
Het resultaat van deze instellingen is dat er tussen 6.00 en 18.00 22,5 [dm3/s] lucht in de ruimten wordt ingebracht en buiten deze tijden 15 [dm3/s].